Deze website maakt gebruikt van cookies. Klik hier voor meer informatie.
Klik op "OK" om cookies te accepteren, of op "Weigeren" om de cookies te weigeren.
login
european commission
Floortje

KOFFIE

“Juf?” Britt en Dara schuifelen als twee engeltjes mijn kant op. Het is donderdag 31 maart, LIO-dag in groep 5/6. “Houd je eigenlijk van koffie?” Ik ben verrast, maar glimlach en knik. “Zullen we dat morgen voor je halen?” Heerlijk! Een warm gevoel bekruipt me. De kinderen willen me in de watten leggen – wat een goede relatie heb ik toch met de groep.

Een paar minuten laten staat een volgend duo voor mijn neus: “Mogen we morgen koffie halen?” Ja, natuurlijk, het tweede kopje? Schatjes, die kinderen van mij.

Pas als het derde, en later het vierde groepje voor mijn neus staat met precies dezelfde vraag, ruik ik onraad. Wacht eens.. Is het morgen niet…?

Ja. 1 april. ‘Kiker in je bil,’ zoals ik de volgende ochtend in een krabbelig handschrift op het bord geschreven zie staan (de spellingles ‘korte klanken’ is nog niet zo goed geland, blijkbaar). De kinderen komen giechelend binnen, en al snel ontdek ik de eerste nepdrol bij de deur, megaspin op mijn bureau en plaatswisselingen in het achterste groepje. Ik grinnik en besluit het allemaal maar over me heen te laten komen. Dan is het moment daar: “Juf, is het al tijd voor koffie? Wil je er iets in?” Ik doe nog een laatste voorzichtige poging (“Liever niet!”), maar de meiden zijn al weg.

Een paar minuten later zwaait de deur weer open. Ik krijg een kopje in mijn handen gedrukt (“Hier, geniet ervan.”) en moet me beheersen om niet te lachen. In mijn handen heb ik een vieze lichtbruine drab, met duidelijke resten citroen en een ondefinieerbaar schuimlaagje. Goed. We doen alsof. Terwijl ik, met mijn kopje in de hand, door de klas loop en vertel over moleculen in gassen en vloeistoffen (in de wetenschap dat ik deze les zéker op een beter moment zal moeten herhalen), volgen de kinderen me aandachtig. Af en toe neem ik bíjna een slok – de groepsadem stokt – maar ben ik op het laatste moment toch afgeleid. Zuchtend kijken de kinderen het aan, tot Rens het niet meer volhoudt en van zijn stoel springt: “Neem eens een slok!” Als zijn groepsgenoten hem woest aankijken, vervolgt hij hakkelend: “Ehh.. eh, anders wordt het koud.”

Wanneer ik eindelijk een slok neem – en die met een zuur gezicht meteen weer uitproest – begint de klas te lachen. “Eén april!” Ik zet mijn beste jullie-hebben-me-in-de-maling-genomen-gezicht op, en lach uiteindelijk hard met ze mee. De les is niet meer te redden, maar de sfeer is geweldig.

Het gaat de rest van de dag zo door: zeep aan de deurklink, een time-timer die opeens afgaat, laatjes die verwisseld worden, plakband aan de bureaustoel en stiekeme briefjes die zogenaamd van de meester van groep 7/8 komen. Ik doe mijn best om er nog wat verhoudingstabellen, dictees en weektaken doorheen te duwen, maar ik ben kansloos. De klas staat op zijn kop, en stiekem vind ik het wel leuk.

Dus, hop, weg met dat programma! Vandaag werken we aan de groepsvorming – zodat de kinderen volgende week, heel misschien, wel een normaal kopje koffie voor me willen halen.


Terug